Auteur: Janneke_admin

Hulpverlening aan Holocaust-overlevenden

Elah is in 1979 opgericht om psychosociale ondersteuning te geven aan Nederlandse Holocaust-overlevenden in Israel. Nog steeds behoren deze overlevenden tot onze voornaamste doelgroepen. We bieden hen de mogelijkheid van therapie, houden plaatselijke en regionale groepsbijeenkomsten, komen op huisbezoek en coördineren een vrijwilligersnetwerk ten bate van de overlevenden. Ook houden we jaarlijks op de ‘Dag van de Holocaust’ in Israel een landelijke ceremonie, waarop we met honderden families gezamenlijk de Holocaust in Nederland herdenken.

Maar ook overlevenden die de Holocaust in andere landen hebben meegemaakt, vallen onder de zorg van Elah en krijgen onze diensten aangeboden: therapie, groepstherapie en sociale groepen. In 2021 ontvingen 5169 Holocaust-overlevenden meer dan 166 390 uren zorg en ondersteunende diensten.

Lees het artikel van Shirly Krakover: Holocaust-overlevenden, een caleidoscoop van verhalen.

 

Holocaust-overlevenden, een caleidoscoop van verhalen

door Shirly Krakover

Wie zijn dat eigenlijk, Holocaust-overlevenden?

Het woord ‘Holocaust-overlevende’ roept bij veel mensen een stereotiep beeld op van een oude man of vrouw die Auschwitz, Bergen-Belsen of andere kampen overleefde. In werkelijkheid gaat er achter de uitdrukking veel meer schuil.

Allereerst wil ik erop wijzen dat de meeste overlevenden die nu nog leven, in de oorlog kinderen waren. Sommige werden zelfs in de oorlog geboren. Een van de meest aangrijpende en aansprekende projecten in Israel is het ‘Getuigenis Theater’. Daar komen Holocaust-overlevenden samen met jongeren. De overlevenden vertellen de jongeren over hun oorlogservaringen, en de jongeren geven daarna het verhaal weer in de vorm van een monoloog of solo-optreden. Het is een enorme ervaring om te luisteren naar een oorlogsverhaal dat uit de mond van een jonge man of vrouw komt met een jong gezicht, en niet van een oudere.

Honderdduizenden Joden, die kinderen van toen, werden uit hun woonplaats gedreven. Ze kregen te maken met honger, ziekte en geweld, en slechts een fractie van hen overleefde de abominabele omstandigheden. Soms overleefden hele families dankzij vindingrijkheid en een flinke dosis geluk, en soms overleefde slechts een kind van een uitgebreide familie. De alleenstaande kinderen werden na de oorlog soms in weeshuizen opgevangen en velen emigreerden met de jeugdalija naar Israël.

Sommige kinderen zaten ondergedoken. Soms werden ze verraden en wist de ondergrondse ze op tijd te redden en over te brengen naar een ander onderkomen. Het leven van de kinderen werd gered, maar hun ziel ook? Wat gebeurt met een klein kind dat van huis naar huis moet vluchten, dat steeds wisselende pleegouders heeft met verschillende opvoedingsmethoden, en dat zich altijd moet verstoppen?

Een enkele keer waren het de onderduikfamilies zelf die vroegen om kinderen te verplaatsen, omdat ze de druk en spanning van de aanwezigheid van een Joods kind in huis niet konden verdragen.

Sommige kinderen werden in kloosters opgevoed onder het toeziend oog van strenge nonnen die de kinderen afwezen vanwege hun jodendom en hoopten elk spoor van die afkomst te verwijderen. Andere kinderen stuitten in het klooster op goedaardige priesters die in de beslotenheid van de biechtstoel tegen hen fluisterden: ‘Vergeet alles wat je vandaag over Jezus hebt geleerd. Jij en ik weten dat je Jood bent en altijd zult blijven.’

Sommige kinderen overleefden als slimme, opgejaagde vossen, zwierven van boerderij naar boerderij en verhuurden zichzelf als knechten. Zulke kinderen durfden niet te lang op één plek te blijven, want als ze vriendschappelijk zouden worden, zouden de werkgevers kunnen ontdekken dat ze besneden waren, ze zouden hen Jiddisj kunnen horen spreken in hun slaap, of het zou tot hen doordringen dat deze kinderen niet naar de kerk kwamen. Hoe ziet het gevoelsleven van zulke kinderen eruit, die geleerd hebben elke vorm van vriendschap en genegenheid uit de weg te gaan en niet gehecht te raken? En wat gebeurt er met hen als ze opgroeien, echtgenoten worden en ouders?

In sommige gezinnen werden ouders gedwongen te vertrouwen op de heldhaftigheid van hun kinderen. Terwijl de ouders zich binnen verschansten en op de jongste kinderen pasten, liepen de 8- of 10-jarigen op straat, ontweken de politie of soldaten, slopen een bakkerij binnen, stalen brood of ander eten. Met hun kostbare buit voedden ze hun ouders, broertjes en zusjes.

Sommige kinderen vluchtten naar het oosten, naar Siberië of Kazachstan, alleen, met beide ouders of met een moeder die met haar kinderen rondzwierf nadat haar man was afgevoerd. Dergelijke moeders kampten met voortdurende honger en schaarste, ze werkten en scharrelden van ’s morgens tot’ s avonds laat. De kinderen zagen hun moeder amper en werden gedwongen voor zichzelf te zorgen en zichzelf op te voeden.

En hoe zit het met Joden in Libie en Tunesie, die onder een fascistisch regime leefden sinds de Italianen en Duitsers de macht overnamen? Wat hebben zij meegemaakt?

Zo zijn er tientallen verhalen en varianten. Zelfs als de oorlogsscenario’s vergelijkbaar zijn, bestaan er vaak grote verschillen tussen de individuele naoorlogse ervaringen. Sommigen konden niet verder groeien door het verpletterende verlangen naar de ouders, anderen worden nooit verlost van de ervaring van honger en kou, en weer anderen vertellen over de emotionele muur die ze optrokken om maar niet te voelen. Sommigen ontdekten wat ze konden doen om een nieuw leven op te bouwen, te trouwen, kinderen te krijgen en het land op te bouwen, anderen bleven ondergedompeld in de trauma’s die hen voor altijd vergezellen en waarmee ze een leven lang leven, in constante angst voor de baas of andere autoriteit, omdat het geringste teken van ontevredenheid de dood betekende, of met grote angst voor iedere onschuldige ziekte, omdat ziek zijn een doodsvonnis betekende.

Ieder mens is een verhaal. Als psychotherapeut die de verhalen van overlevenden hoort, sta ik keer op keer verbaasd over de eindeloze variaties. Het doet me denken aan een caleidoscoop, waarin ieder plaatje anders is, en ieder plaatje een apart, scherp en kleurrijk beeld vormt.

 

 

Elah Hulpcentrum Kfar Kanna

Het is stil ’s avonds. Mijn kleine kuikens slapen als engeltjes, mijn man, broeder in het ziekenhuis, heeft nachtdienst, en ik zit alleen bij de kachel en staar in het vuur. Zegt dit serene plaatje iets over de werkelijkheid waarin ik leef?

Laten we, net als in de film, even teruggaan naar het begin van de dag, naar de ochtend die begint als alle ochtenden in coronatijd, met de moeder die haar jongste zoontje voor zijn zoom-programma klaarmaakt en haar jongste dochtertje voor haar zoom-uitzending, de moeder die zich verzekert dat ook de oudste met school is verbonden en niet met zijn telefoon speelt,  die een uitgebreid ontbijt voor de kinderen achterlaat, de deur achter zich dicht trekt en als maatschappelijk werkster van het Hulpcentrum Kfar Kana op weg gaat.

Die weg betekent meestal een autorit van het ene dorp en van de ene stad naar de andere, en van het ene gezin naar het andere. Van het gezin met de mooie jonge weduwe die haar man verloor door een auto-ongeluk en die drie kleintjes heeft (dezelfde leeftijden als mijn kinderen, wat een bron van mijn persoonlijke transfers en angsten als moeder) naar het gezin waarvan onlangs op wrede wijze de zoon is vermoord, zonder dat bekend is waarom en wie de dader is.

Onderweg vraag ik me af wat voor gezin ik zal aantreffen en hoe ze zich zullen voelen. Is het niet te vroeg om een week na de moord al bij hen langs te gaan en met hen de ‘reis naar binnen’ aan te gaan? Want ook het kennismakingsgesprek  bij de eerste ontmoeting noem ik een reis, waarbij je net als in de auto moet opletten, goed luisteren, de kaart lezen, gas geven, afremmen en afstand bewaren (coronatijd, nietwaar?), ruimte geven, de berg op en dan van de berg de afgrond in.

Daarna volgt de rit terug naar huis, gekenmerkt door het werk loslaten, huilen en zingen, door de telefoon praten, zingen en weer zingen. En denk niet dat het avontuur nu voorbij is. Thuis wacht me de reis van het ouderschap, een reis in de keuken, spelen met de kinderen en de was doen. De nacht is nog ver weg.

Ik vermijd zoveel mogelijk het nieuws op de radio en berichten op facebook, maar slecht nieuws verspreidt zich helaas als een lopend vuurtje. In de samenleving waarin ik leef, die van de Israelische Arabieren, proberen we enerzijds het moderne leven van Israel te leven, en anderzijds het eigene van de Arabische cultuur te behouden. Dat is een cultuur die eindeloos veel positieve eigenschappen heeft, naastenliefde, mededogen, vrijgevigheid, hulp en bijstand aan anderen in tijden van nood. Maar daarnaast bestaat er de laatste tijd ook een aanwassende golf van oncontroleerbaar geweld en moord. Wapens zijn overal, ook woede ontbreekt niet, conflicten verhogen onmiddellijk de aantrekkingskracht van het wapen en één schot maakt een einde aan het leven van een heel gezin.

Woede vreet aan de nabestaanden van de vermoorden: wie ben jij om een ​​einde te maken aan het leven van mijn zoon! Woede vreet aan de omringende samenleving op: waarom wordt er geen halt aan het geweld geroepen. Woede vreet aan het hart van elke Arabische burger: waar is de politie! Waar was die politie toen de wapens allereerst werden binnengesmokkeld en verkocht, toen tijdens de rustige nacht de ene aanslag na de andere werd gepleegd en moorden moesten worden opgelost. De families noch de samenleving kan de hulpeloosheid van de politie begrijpen. Want de ervaring leert dat als een joodse burger wordt vermoord, het delict meestal wordt opgelost en de moordenaar berecht.

Hulpeloosheid heeft de Arabische burgers doordrongen, die ’s ochtend en ’s avonds met moord worden geconfronteerd, de foto’s zien van de slachtoffers, horen over het aantal getroffen gezinnen, de weduwen en wezen. Er heerst een gevoel van chaos en controleverlies met betrekking tot de wapenhouders, de misdaadbendes en de wapen- en drugshandelaren – er is immers geen handhaving en geen straf, er is geen wet en geen gerechtigheid, en dan krijgen ze steeds meer macht tegen de hulpeloze meerderheid.

Al deze gedachten en angsten gaan door mijn hoofd. Zal mijn man, als hij klaar is met zijn nachtdienst en moe op weg naar huis gaat, wel veilig arriveren en god bewaar geen ongeluk meemaken? En als ik ’s avonds de was aan de waslijn op het dak ophang, zal ik dan misschien per ongeluk worden neergeschoten? In de realiteit waarin wij leven, is het onmogelijk niet ze te denken. Zal ik de volgende zijn die wordt vermoord? Zal mijn gezin tot die gezinnen behoren? Zullen mijn kinderen in het Hulpcentrum moeten worden behandeld?

Ik zit in stilte bij de kachel, maar nee, mij wacht geen rustige nacht en een goed boek, maar een storm van emoties die me overvalt. Misschien begrijpen jullie nu een beetje onze ervaringen in het Hulpcentrum in Kfar Kanna, en wat er na een dag werk door ons heengaat.

 

Sojood Khatib

Maatschappelijk werkster van het Elah Hulpcentrum Kfar Kanna

Slachtofferhulp

“Mijn dochter Danielle, 25 jaar oud, nam twee jaar geleden haar eigen leven. In tegenstelling tot wat je misschien zou denken, had Dani geen geschiedenis van depressie. Integendeel. Dani was een gelukkige, getalenteerde, creatieve en intelligente jonge vrouw. Na haar dienstplicht reisde ze met een vriendin naar Zuid-Amerika, en na terugkeer volgde ze een opleiding als hydrotherapeut. Kort daarna begon ze te werken in het zwembad van een ouderenhuis, met het plan om verder te studeren aan de universiteit. Dani had veel vrienden, was bijzonder geliefd, en leidde een druk sociaal leven. Maar opeens, zonder duidelijke aanleiding, viel Danielle in een zwart gat. Ze gaf haar baan en plannen op, en verloor alle levenslust. Het was alsof ze niet langer haar eigen licht zag schijnen, dat ze uitstraalde en dat ze overdroeg op iedereen om haar heen.

Danielle was in therapie en kreeg medicatie, maar de depressie bleek sterker. Kennelijk had ze alle hoop verloren. Ik denk dat ze zich niet kon voorstellen, juist omdat ze nooit eerder sombere periodes meemaakte, dat ze ooit weer de zon zou zien schijnen.

Vanwege mijn eigen werk als dramatherapeut, wist ik dat het voor mij als nabestaande noodzakelijk was om te praten over dit nauwelijks te verdragen verlies. Via via leerde ik het Elah Centrum kennen, dat allerlei vormen van hulpverlening aanbiedt. Ik werd gekoppeld aan een existentieel begeleider die ik helemaal vertrouwde en die me hielp uit de diepe punt te klauteren waar je als ouder in valt na de dood van je kind.

Ik kan niet anders zeggen dan dat de therapie me heeft gered. Het is me gelukt om, ondanks de pijn, toch te kiezen voor een vol en gelukkig leven. Meestal gaan kinderen in de voetstappen van hun ouders, maar in ons geval gebeurt het andersom. Ik besloot in de voetstappen van Dani te gaan. Een jaar na haar overlijden reisde ik naar India, waar een vriendin van Dani als vrijwilliger in een dierenasiel werkt. Danielle, die veel van dieren hield, wilde deze vriendin  opzoeken. Nu deed ik het in haar plaats, terwijl Danielle in mijn hart meereisde.

Nabestaanden van mensen die zichzelf van het leven beroven, moeten een moeilijk rouwproces doorlopen. Ze hebben een verhoogde kans om ook zelf depressief of suïcidaal te worden. Gelukkig bestaat de mogelijkheid om in therapie te gaan. Individuele therapie, groepstherapie, existentiële begeleiding, allerlei vormen van hulpverlening worden aangeboden. Ik kan niet genoeg bedrukken hoe belangrijk het is om daarvan gebruik te maken.’’

 

Jaarlijkse Holocaust herdenking Elah

Jaarlijks organiseert Elah op Jom HaSjoa (de dag van de Sjoa) voor de Nederlanders in Israël en hun families een landelijke bijeenkomst, waarop we gezamenlijk herdenken en uiting geven aan het verdriet, de pijn en boosheid, die er met de tijd niet minder op worden.

Ieder jaar heeft de herdenking een ander thema. In 2022 stond ‘De Nederlandse Paradox’ centraal en vertelden overlevenden over de vaak ambivalente relatie met hun geboorteland.

Uitnodiging Holocaust herdenking Elah

Lees ook: het verhaal van Shimon Eyal, Holocaust overlevende.

Holocaust overlevende – Shimon Eyal

De Holocaust gaat nooit voorbij

Foto van een man die de Holocaust heeft overleefdParijs, 1944. Eerst overleefden mijn ouders, broer en ik de massale arrestaties en gevangenneming in de Velodrome d’Hiver. Daarna overleefden we de dagelijkse aanhoudingen op straat en het verraad door goede Fransen. We overleefden de plicht om de gele ster te dragen, de beschimpingen ‘vuile Jood’,  en de vernedering om in het riool te moeten duiken als een Duitser voorbijloopt.

Ik ben 13 en ga uit angst voor de Franse milities al maanden niet meer naar school. Mijn moeder bereidt me voor dat ze me met een valse naam en valse papieren op een kostschool willen onderbrengen, en me zo willen redden. We waren kinderen en tegelijkertijd volwassenen. Ons begrip was volwassen, maar in onze behoeften waren we kinderen, hunkerend naar de aanwezigheid en warmte van de ouders.

Ik was de jongste van drie, een ondeugend en levenslustig kind in een middenstandgezin. De vooroorlogse jaren waren fijn. Ik had een gelukkige jeugd. Ik kon goed pianospelen en was trots op zo’n geschenk van God, dat lang niet iedereen krijgt.

Die eerste nacht op kostschool was er een van grote eenzaamheid en onophoudelijk huilen. Ik voelde het gemis van menselijke warmte, de duisternis van de nacht, de eenzaamheid bij het ochtendgloren. Weten dat je alleen bent in een vijandelijke wereld, dat je voor iedereen moet verbergen dat je Jood bent en een verbond met God bent aangegaan. Voortdurend toneel spelen en alle dagen liegen over een afkomst waarop je zo trots was. Alles mag, behalve jezelf zijn.

Eind juli ’44 naderden de geallieerden. Mijn broer brengt me alvast naar Parijs, waar de nazi’s nog steeds de dienst uitmaken. Iets later volgt de bevrijding. Van het ene moment op het andere behoort iedereen opeens tot de ondergrondse, zelfs degenen die een dag daarvoor nog Joden aanhielden, Vichy steunden en de rassenwetten.

In 1945 druppelen berichten binnen over vernietigingskampen van de nazi’s, over de verschrikkelijke omstandigheden, over muselmannen die al het menselijke verloren, en ik bid dat mijn ouders direct na aankomst in het vernietigingskamp stierven.

Heel veel jaren later word ik 90. Alle gedachten die ik diep wegstopte, komen opeens naar buiten. Ik ben niet langer beschermd. Ik beleef de aankomst van mijn ouders in Auschwitz op 25 januari 1944 om 13.30 uur, bij een temperatuur van minus 20 graden, na vijf dagen veewagen, zonder eten en drinken. Ik heb hulp nodig. Geluidloos schreeuw ik het dag en nacht uit.

Ik ben 90 en tegelijkertijd het 13-jarige kind dat gevoelig is voor alles. Ik leef het verleden. In gedachten ben ik bij mijn ouders, die vijf dagen in de overvolle beestenwagen, met de vreselijke stank, de honger en dorst, de doden en zij die zelf ook gaan sterven. Ik ben een toeschouwer in de trein en voel het lijden.

De oorlog en de Holocaust zullen nooit voorbijgaan.

Shimon Eyal

© 2022 Stichting Elah Nederland

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑